Als we ‘iets levends’ ontmoeten gebeurt er iets met ons. De blik in de ogen van een dier kan ons ontroeren, de kleur en de straling van een bloem kunnen ons innerlijk aanraken, maar het is vooral de mens die zo boeiend overkomt, omdat hij raadselachtige (het mysterieuze) van het leven en dood in zich draagt.

In die sfeer ontmoeten we elkaar maar héél zelden.

Omdat we in elkaar niet ‘de mens’ ontmoeten maar de ‘persoon’.

We kijken wel naar elkaar, maar niet ‘in’ elkaar. De blik houdt op bij de pupillen, stuit af en dringt niet door naar binnen. De ogen zijn niet ‘doorzichtig’ maar gemaskerd.

Zo zijn we misschien wel geworden uit angst voor elkaar.

We hebben elkaar door de eeuwen heen misschien wel te veel pijn gedaan om ‘open’ te zijn voor elkaar en vrij van enig wantrouwen.

We durven niet en sluiten de blinden van onze ziel en nemen de pose aan van een bepaalde ‘persoon’.

We kijken naar elkaar zonder elkaar werkelijk te zien, we schetteren wat teksten uit, wat loze kreten en klanken die niet doordringen naar het hart.

Hoe goed is het dan een vriend te ontmoeten, jezelf in hem te herkennen omdat je voelt dat hij zich ook in jou herkennen zal.

Een mens ‘echt ontmoeten’, geeft je het gevoel dat één en dezelfde ziel zich ophoudt in twee lichamen.

Een ‘echte’ ontmoeting lijkt op een ineenvloeiend akkoord van twee verschillende klanken.

Water in water… wind in wind… adem in adem.

Een mens ‘ontmoeten’ die alle vensters van zijn ziel open heeft gezet, een mens waar je in kunt wandelen als in een tuin, als in een stad, als in een wereld… wanneer ‘ontmoeten’ we elkaar in godsnaam?

Toon Hermans

Boek :Alles is heimwee